Verschil statuut arbeiders – bedienden ongrondwettig… nieuw gemeenschappelijk statuut over 2 jaar.

 Gisteren bracht ik de problematiek van het eenheidsstatuut arbeiders-bedienden ter sprake tijdens het vragenuurtje in de plenaire vergadering van de Kamer. Ik vroeg Minister Milquet om nu reeds voorbreidende initiatieven te nemen opdat men zo snel mogelijk tot een nieuw gemeeschappelijk statuut voor arbeiders en bedienden  zou kunnen komen. Aanleiding van mijn vraag was het arrest van het Grondwettelijk Hof van gisteren dat eist dat tegen 2013 het nieuw statuut er is. Eind vorig jaar sprongen de besprekingen over het eenheidsstatuut af omdat men over onvoldoende gegevens, berekende scenario’s, … beschikte. Ik vroeg de minister om nu al in samenwerking met de RSZ, het Planbureau en de fiscus cijfergevens te verzamelen en scenario’s te laten berekenen waardoor de gesprekken tussen de sociale partners misschien constructiever zouden kunnen verlopen en waarop wij als parlement eventueel kunnen terugvallen als de sociale partners er niet uit geraken. het voorbereidend huiswerk kan maar gemaakt zijn.

. De uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 7 juli 2011

Het Grondwettelijk Hof deed op 7 juli 2011, uitspraak over het al dan niet ongrondwettig zijn van het verschil arbeiders-bedienden.. Het is van oordeel dat de artikelen 52, § 1, tweede tot vierde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 59 van de Arbeidsovereenkomstenwet het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schenden. Niettemin worden de gevolgen van de genoemde wetsbepalingen gehandhaafd totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt, en dit uiterlijk tot 8 juli 2013.

Om tot de ongrondwettigheid van het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden te besluiten, baseert het Grondwettelijk Hof zich net als in 1993 op de vaststelling dat de wetgever, door het onderscheid tussen arbeiders en bedienden te doen steunen op de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk, verschillen in behandeling heeft ingevoerd op grond van een criterium dat de invoering ervan op dit ogenblik bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden. Anders dan in 1993 besluit het Grondwettelijk Hof op grond van deze vaststelling wel tot de ongrondwettigheid van de bestreden wettelijke bepalingen.

Het Grondwettelijk Hof stapt bijgevolg af van de afwachtende houding die het tot nog toe had aangenomen. Het benadrukt dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zich niet verzet tegen een geleidelijke vermindering van de verschillen in behandeling tussen arbeiders en bedienden. De tijd waarover de wetgever vermag te beschikken om een vastgestelde ongrondwettige situatie te verhelpen is echter niet onbegrensd. Het doel van een geleidelijke harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden verantwoordt niet langer dat sommige verschillen in behandeling nog geruime tijd kunnen worden behouden, waardoor een toestand van manifeste ongrondwettigheid zou worden bestendigd.

Toch bouwt het Grondwettelijk Hof enige reserve in door te verklaren dat de gevolgen van de betrokken wetsbepalingen (artikel 52, § 1, tweede tot vierde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 59 van de Arbeidsovereenkomstenwet) gehandhaafd worden totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt, en uiterlijk tot 8 juli 2013.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers op de volgende wijze: