Jongeren garantie op een eerste werkervaring geven!

De vraag naar groei als alternatief voor besparen klinkt vandaag steeds luider in Europa. Blinde besparingen en verplichte soberheid, zorgen immers voor toenemende somberheid. Een relanceplan moet zorgen voor nieuwe hoop voor onze economie en vooral hoop voor mensen op zoek naar een job.

Laat ons echter realistisch blijven: er zijn weinig middelen beschikbaar om de groei aan te zwengelen en we hebben een afspraak met Europa om onze overheidsfinanciën te saneren. Die afspraak moet gehonoreerd worden. Het slechtste dat ons kan overkomen is onder Europese voogdij komen. Dan legt Europa ons zelf eenzijdige   maatregelen op  die zullen  gericht zijn op besparingen.  Laat ons dus uitgaan van een kader waarbij we met een beperkte budgettaire marge toch groei kunnen stimuleren en jobs creëren.

In tijden van schaarste is het efficiënt inzetten van middelen nog meer dan anders een noodzaak

Minder wordt méér….

Het geheel van doelgroepenverminderingen  (rsz-verminderingen en activeringsuitkeringen) is zeer complex. Vandaag kennen we meer dan 30 tewerkstellingsmaatregelen. Het opvolgen en monitoren van al deze maatregelen is bijna onmogelijk. We zien het bos door de bomen niet meer. Bovendien betekenen ze een enorme versnippering van het beschikbare budget. De creatie van bijkomende maatregelen voor lastenverminderingen en fiscale aftrekken, zoals minister Onkelinx voorstelt, lijkt dus op meer van hetzelfde.

Mijn pleidooi is er één om de middelen te concentreren en daarbij drie klemtonen te leggen:

–          Bestrijding jeugdwerkloosheid

–          Meer kansen voor risicogroepen op de arbeidsmarkt

–          Kwaliteitsvolle banen

Dit betekent onder andere hard snoeien in de wildgroei aan doelgroepenverminderingen.   Op die manier kan veel sterker ingezet worden op die sectoren en groepen die er het meeste baat bij hebben en met de zwaarste loonconcurrentie geconfronteerd worden. Daartoe is er nood aan een gedegen evaluatie van de bestaande maatregelen, zodat de efficiëntie beter kan gemeten worden.

Meer loonlastenverlaging voor de lage lonen!

Mijn tweede punt van heroriëntering en concentratie van middelen is om de beschikbare middelen voor loonlasten verlaging niet alleen te beperken inzake doelgroepen, maar vooral ook te richten op de lage lonen. Alle studies (die van het Federaal Planbureau en de NBB van vorig jaar  en die van professor Vanderlinden en zijn collega’s [1]) wijzen uit dat verlaging van de loonlasten gericht op de laagste lonen veruit het meeste bijkomende tewerkstelling creëert.   De loonkost is voor deze groep weinig gevoelig voor schommelingen van de sociale bijdragen en het aanbod beschikbare arbeidskrachten is zeer groot.

Als ik echter de evolutie zie van de loonlastenverlaging van de laatste 5 jaar dan stel ik vast dat we net het tegenovergestelde doen:

In 2006 was er nog een loonlastenverlaging van 293 miljoen euro voor de lage lonencomponent en 322 miljoen voor de hoge lonencomponent (of een verhouding van 47% lage lonen en 53% hoge lonen). Eind 2010 was de loonlastverlaging voor lage lonen gezakt naar 239 miljoen euro (of een vermindering met 20%) en die voor de hoge lonen gestegen tot 431 miljoen euro (of een stijging van 33%). Dat is een verschuiving van 150 miljoen euro lastenverlaging van lage lonen naar hoge lonen. Net het tegenovergestelde van wat Federaal Planbureau, NBB en universiteitsprofessoren ons aanbevelen. We moeten dus dringend de tegenovergestelde beweging maken! Daar zullen ook de sectoren met de sterkste loonkostenconcurrentie en de zwaarste risicogroepen het meeste baat bij hebben.

Gedaan met koterijen bij te bouwen in de Sociale Zekerheid, grondig verbouwen is de boodschap

Mijn derde actiepunt  is de aanpak van de loonkostenhandicap. Ja, wij hebben een loonkostenhandicap tegenover onze drie buurlanden. De Belgische loonkost per uur is sedert 1996 4,6% sterker gegroeid dan bij de buren. Maar… Hou je rekening met  de loonkostensubsidie dan is de loonkost per uur slechts met 1.35% gestegen . De conclusie blijft wel  dat de lasten op arbeid te hoog zijn. België is de  wereldrecordhouder.

Een eerste manier om de lasten op arbeid te verminderen is een hervorming van de organisatie van onze sociale zekerheid. Vandaag wordt de SZ vooral gefinancierd vanuit bijdragen op arbeid. Een opportuniteit die zich aandient is de overheveling van de kinderbijslag naar de regio’s. Die overdracht zal gepaard gaan met een gelijkschakeling van de kinderbijslag voor werknemers en zelfstandigen. Dit is volgens mij een gelegenheid om de kinderbijslag uit de sociale zekerheid te halen en dus ook dat  deel sociale bijdragen  op het loon voor die kinderbijslag, waardoor de loonkost zal dalen. Dat wil natuurlijk zeggen dat de kinderbijslag dan op een alternatieve manier vanuit de algemene middelen moet gefinancierd worden. Het lijkt mij dan logisch dat je voor de financiering van de kinderbijslag  vanuit de algemene middelen dan een bijdrage vraagt van alle inkomens  (uiteraard met een vrijgesteld minimum) en niet alleen op de inkomens van diegenen die vroeger de sociale bijdragen betaalden voor de financiering van de kinderbijslag via  de sociale zekerheid.  Dezelfde redenering kan gemaakt worden voor de gezondheidszorg. Op die manier verlagen we niet alleen de  loonlasten, maar komen  we ook tot een verschuiving van lasten op arbeid naar een meer evenwichtig spreiding van lasten op alle inkomens. Ik ben dan ook voorstander van een ernstig debat over de verschillende takken in de sociale zekerheid en over wat we wel en niet meer via de sociale zekerheid willen blijven financieren.

Prioriteit voor de jongeren!

Last, but not least: onze jongeren zijn de toekomst. De jonge generatie is zich zeer bewust van de ernst van de economische situatie en wil haar bijdrage leveren tot behoud van onze welvaartstaat. Laten  we de jeugd kansen en hoop geven en na de hervormingen van de werkloosheidsuitkeringen en de wachtuitkeringen een positief signaal geven door de invoering van de Europees gelanceerde ‘jongerengarantie’. De garantie dat elke jongeren die al 4 maanden op zoek is naar werk de kans krijgt om via een opleiding of via een werkervaring (Individuele Beroepsopleiding) of een formule van deeltijds werken/deeltijdsleren een positieve ervaring op te doen.

In een volgende fase moet het onze ambitie zijn dat iedereen die meer dan 2 jaar werkloos is deze garantie krijgt.   Wie recht heeft op  een werkloosheidsuitkering, heeft immers ook de plicht er alles aan te doen om een job te vinden. Iedereen moet daar zijn steentje toe bijdragen: de werkzoekende, de werkgever en de overheid.

Vernieuwen en verbeteren hoeft niet altijd méér geld te kosten. Ook dat is Rerum Novarum…


–          [1] Micro- en macro-economische evaluaties van de (para)fiscale bijdrage verminderingen in België, Synthese en beleidsaanbevelingen (Cockx, Sneessens en Van der Linden), 11 juli 2005, p. 7

–          Socialezekerheidsbijdrageverminderingen en herfinancieringsmaatregelen, Alternatieve financiering van de sociale zekerheid: enkele belangrijke bevindingen, Federaal Planbureau, 27 april 2011

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers op de volgende wijze: